Recente columns
|
Olympicproof?Robbert Coops, Strategisch Adviseur CSR bij Schuttelaar & Partners Nu het Wereldkampioenschap Voetbal definitief niet aan ons land is gegund, zijn vele ogen gericht op de Olympische Spelen. Dat kan voor de recreatie- en bouwsector een geweldige boost opleveren. Maar de kansen lijken op voorhand niet groot. De ambities wel. Het HollandBelgiumBid voor het Wereldkampioenschap Voetbal heeft het niet gehaald. Er was al wat kritiek – zo zouden er in België en Nederland te weinig hotel- en trainingsaccommodaties zijn – maar vooral bewondering voor de duurzaamheidclaims en het organisatorische vermogen van de Belgische en Nederlandse voetbalbonden. Toch bleek de overkoepelende FIFA niet te overtuigen. En ondanks de onvoorwaardelijke steun van minister-president Rutte en vele voetballegenden ging de eer naar Rusland, zij het onder heftig gekrakeel over vermeende en half bewezen corruptiepraktijken. Min of meer gelijktijdig wordt door ons land ook getracht om de Olympische Spelen in 2028 te mogen organiseren. NOC*NSF als initiator en met de steun van het kabinet doet een moedige poging het Internationaal Olympisch Comité (IOC) hiertoe te vermurwen. Maar is een klein land als Nederland wel in staat om voldoende sportfaciliteiten te leveren, naast alle vereiste voorzieningen op terreinen als veiligheid, tijdelijke huisvesting of vervoer? Bij de keuze voor de Olympische Spelen kiest het IOC niet zozeer voor een land, maar veel meer voor een grote stad, zoals onlangs nog voor Rio de Janeiro. Op wereldschaal vormt Nederland één groot stedelijk gebied. Dus maakt het eigenlijk niet uit of Amsterdam of Rotterdam naar voren wordt geschoven. Dat is ook de opvatting van Jan Hamming, voorzitter van de pijler Fysiek van de G32, een netwerk van (32) grote gemeenten. “Een breed gedragen Nederlandse kandidatuur is kansrijk. Ons land heeft de Spelen wat te bieden in termen van ambiance, beleving en unieke kwaliteiten in de steden en daarbuiten”. Hij ondersteunt graag de Nederlandse kandidatuur en wil die ook onderbouwen en invullen. De G32 geven daarbij de voorkeur aan het verdelingsmodel zoals dat in het schetsboek Ruimte voor Olympische Plannen, dat in opdracht van het voormalige Ministerie van VROM is opgesteld, staat beschreven. “De kunst is om slim om te gaan met vaste en tijdelijke voorzieningen. Het is een zaak om activiteiten te spreiden over het land en de kracht van steden te bundelen. Vanuit midden-Nederland liggen de meeste steden binnen een straal van 150 kilometer. Nu al ligt er in de steden een uitstekende sportinfrastructuur”. Met andere woorden: juist door samenwerking kan er een aantrekkelijk en kansrijk aanbod (en bidbook) ontstaan. In dat licht is het wat verwarrend te zien hoeveel moeite Amsterdam doet om ”Olympicproof” te worden. De hoofdstad profileert zich nadrukkelijk als de gedoodverfde kandidaat. Maar is dat in dit stadium wel zo logisch en verstandig? Juist door een gezamenlijke aanpak maakt ons land een kans, zoals werd bewezen bij de organisatie van het Europese Voetbalkampioenschap in 2000. Daar acteerden België en Nederland gezamenlijk, inclusief de steden waar de wedstrijden werden afgewerkt. Arthur Verdellen, regisseur Olympische ambitie van de gemeente Amsterdam, vindt dat de hoofdstad zich eerst moet profileren als echte sportstad. Dat kan door serieus te investeren in breedtesport, grote aansprekende evenementen te organiseren en daarvoor de benodigde sportaccommodaties op niveau te brengen. En door nu al te starten met de ruimtelijke vertaling van de plannen. De voorbereidingen om stevig te investeren in de infrastructuur vanwege de bereikbaarheid en de kwaliteit van sportfaciliteiten moeten nu al getroffen worden. Een belangrijk argument bij dat alles is de legacy, de nalatenschap. Als de roes van de Spelen voorbij is – het evenement duurt slechts vier weken: twee weken Olympische Spelen en twee weken Paralympische Spelen – blijven de nieuwe wegen en openbaar vervoersverbindingen, pleinen, parken, huizen en sportaccommodaties. Amsterdam wil graag zijn naam verbinden aan de nationale ambities en heeft nu al schetsmatig aangegeven dat een ontwikkeling van twee locaties voor de hand ligt. Enerzijds de havenstad aan de oevers van het IJ en aan de Nieuwe Meer, anderzijds het gebied tussen het (oude) Olympische Stadion en het Amsterdamse Bos waar al flink veel sportaccommodaties liggen, zoals de (Olympische) Bosbaan (roeien) en het Frans Ottenstadion (squash). Deze Amsterdamse Sportas ligt qua bereikbaarheid gunstig, ook ten opzichte van Schiphol. Maar er zal wel nog veel moeten gebeuren. Accommodaties moeten op peil gebracht worden, de openbare ruimte verdient een flinke injectie, de bereikbaarheid moet echt veel beter en er moeten goede verbindingen komen met de VU en de Zuidas. De ambities van de hoofdstad zijn duidelijk, hoewel nadrukkelijk is aangegeven dat samenwerking met andere partijen in dit stadium van groot belang is om brede steun te verkrijgen van publieke en private partijen, zoals vanuit de bouwsector. De vier grote steden, alle provincies, de VNG en werkgevers- en werknemersorganisaties hebben zich daartoe – al polderend – verenigd in de Alliantie Olympisch Vuur. Dat is verstandig, zeker wanneer de ambities van Amsterdam in dat verband nog even beteugeld kunnen worden. |
Robbert Coops |
